Oostende

De eerste sporen van Oostende zijn te vinden in de 9e en 10e eeuw. Schaapherders en vissers leidden een eenvoudig leven in een kleine nederzetting op het oostelijke uiteinde van het schorreneiland Testerep. In 814 schonk Sire Gobrecht van Steeland het toenmalig nietig dorpje aan de abdij van Sint-Bertinus in Sint-Omaars. Omstreeks het jaar 1000 begon de Noordzee gedurende ongeveer 70 jaar op de kust de zogenaamde Duinkerke III A-transgressie. Het langwerpig eiland Testerep werd bij daarbij regelmatig overspoeld. In de 11e eeuw werd de Testerepvliet tussen het eiland en het vasteland ingepolderd, waardoor stad niet meer op een eiland lag en zich kon ontwikkelen. In 1267 kende Margaretha van Constantinopel stadsrechten toe aan Oostende, maar de stad had geen muren, vestingen of bolwerken. Op dat moment werd aan Oostende het voorrecht verleend een halle te exploiteren. Geleidelijk aan maakten de bewoners gebruik van hun bestuurlijke bevoegdheden om zich los te maken van de dominerende kasteelheren. Een schepencollege van rijke kooplieden, later ambachtslieden, met aan het hoofd de baljuw, stippelde het beleid uit. In 1284 sloot Oostende een verdrag met de vrijheer van Brugge om de getijdengeul te verbreden en bevaarbaar te maken.

Stormen en overstromingen dwongen Oostende landinwaarts te verhuizen. In 1372 werd de stad versterkt met palissades, maar een reeks hevige stormvloeden, zoals de Sint-Clemensvloed van 23 november 1334 en de noodlottige Sint-Vincentiusvloed van 22 januari 1394, verzwolgen uiteindelijk een gedeelte van de stad. Restanten van deze oude stad werd herontdekt door onderzoekers van de Universiteit Gent in 2016 op 200 meter voor de kust.[1] Er werd een nieuwe, meer zuidelijk gelegen stad opgetrokken. In 1445 gaf Filips de Goede Oostende zijn toestemming om een haven aan te leggen. In 1447 werd de stad opnieuw overstroomd, met als gevolg dat de stad opnieuw voor een groot gedeelte verplaatst werd, verder van de zee af.

In juli 1489 werd Oostende geplunderd en in brand gestoken door aanhangers van de Duitse keizer Maximiliaan I van Oostenrijk, aangevoerd door Daniël van Praet, kapitein van Nieuwpoort. Dat leidde de reeks oorlogen in de Nederlanden in. Zo werd Oostende in 1548 veroverd door de Engelsen en de Hollanders. In 1572 werd uiteindelijk een verdediging rond de stad opgeworpen met de toestemming en medewerking van de Hertog van Alva.

Na de Slag bij Nieuwpoort trok het leger van de Prins van Oranje zich terug op Oostende. De Oostendenaren gaven vrije toegang tot hun haven aan protestanten uit Engeland en Noord-Ierland. Zo werd Oostende het laatste protestantse bolwerk in de katholieke Spaanse Nederlanden. Als reactie daarop volgde het drie jaar durende Beleg van Oostende. De Staatse verdedigers trokken zich ten slotte terug. Door het beleg was Oostende totaal verwoest. De Noorderdijk was doorgestoken waardoor de polders onder water liepen en een grote getijdengeul ontstond, nu de huidige havengeul van Oostende.

In 1698 werd een eerste scheepvaartmaatschappij opgericht, die tot doel had handel te drijven met Indië. De Spaanse Successieoorlog had ook zijn gevolgen voor Oostende. Toen de Franse en Spaanse troepen, na hun verlies in de slag bij Ramillies op 23 mei 1706 zich terugtrokken in Oostende, werd de stad belegerd door de Engelse vloot, en opnieuw grotendeels verwoest. Op 6 juli 1706 gaf de belegerde stad zich over aan de Oostenrijkse keizer en zijn bondgenoten.

De scheepvaartmaatschappij die met Indië handel voerde, werd hierdoor pas in 1715 een succes. Op 11 augustus 1723 werd de Generale Keizerlijke en Koninklijke Indische Compagnie, beter bekend als de Oostendse Compagnie, gesticht. In maart 1724 vertrok de eerste koopvaardijvloot, die bestond uit drie schepen, de Arend, de Sint-Elisabeth en de Sint-Karel, onder koninklijke en keizerlijke vlag. Op korte tijd werd Oostende een belangrijke haven met invoer van Chinese en Indische koopwaar. Onder internationale druk werd de Oostendse Compagnie in 1727 geschorst en in 1731 opgeheven. Oostende werd opnieuw een gewone vestingstad. In de late 17e eeuw en eerste helft van de 18de eeuw was Oostende een van de vestingsteden die deel uitmaakten van de Nederlandse vestingsbarrière in de Zuidelijke Nederlanden.

Op 24 november 1776 werd het eerste handelsdok plechtig geopend. In 1781 vaardigde keizer Jozef II een decreet uit waardoor Oostende officieel een vrijhaven werd. Opnieuw kende de haven een zekere opbloei, onder andere door de neutraliteit van Oostenrijk in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Na het Verdrag van Versailles op 20 januari 1783 begon de grote havenbedrijvigheid weer stilaan af te nemen.

Tussen 1792 en 1815 stond de verdere uitbouw van de Oostendse haven op een laag pitje, onder meer vanwege het beleid van Napoleon Bonaparte. De keizer blokkeerde met het Continentaal stelsel de handel met overzee en concentreerde de vestingbouw en de activiteiten van zijn marine in de Noordelijke wateren in Den Helder dat hij als “Het Gibraltar van het Noorden” beschouwde. Wel werden er onder het bestuur van Napoleon twee forten gebouwd ter verdediging van de haven: Fort Napoleon en het Fort Royal moesten Britse aanvallen en landingen afweren.

Ook tijdens het bewind (1815-1830) van koning Willem I der Nederlanden was vergroting van de haven niet mogelijk. De prioriteiten van de regering lagen elders en het koninkrijk bezat met Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen al voldoende grote havens.

Pas in 1830, onder impuls van de Belgische koning Leopold I, kon de Oostendse zeehaven verder uitgroeien. In 1838 had de inhuldiging van de spoorlijn OostendeBrussel plaats en in 1846 werd de eerste veerdienst Oostende-Dover ingelegd. In 1877 werd de eerste Oostendse vismijn gebouwd. Op 2 april 1884 kwam het eerste stoomvisserijschip — de Prima — Oostende binnenvaren. In 1914 waren er al 29 stoomvisserijschepen in Oostende.

In 1865 werd Oostende ontheven van zijn functie als vesting door de toenmalige minister van oorlog baron Félix Chazal. Spoedig werden de vestingmuren rond de stad gesloopt. Hierdoor zou Oostende op korte tijd sterk uitbreiden. Dankzij de inspanningen van de Belgische koning Leopold II bloeide Oostende in het begin van de twintigste eeuw als geen ander. De stad kreeg de bijnaam “Koningin der Badsteden“. De mondaine koning bouwde een belle-époque-badplaats met wereldfaam. Het Kursaal Oostende uit 1852, het nieuwe theater uit 1905, het Koninklijk Paleis, de Koninklijke Gaanderijen, de Promenade, de Kiosk, het Stadstheater, het Leopoldpark, de Wellingtonrenbaan en de Stadsbibliotheek straalden haar bourgeois karakter uit.

Door de toegenomen scheepvaart op Oostende was een tekort aan kaaimuren ontstaan. Daarom werd in de periode 1894-1914 de haven op ingrijpende wijze vernieuwd door aanpassing van de voorhaven en uitbouw van een nieuwe achterhaven, verbonden met de De Smet de Naeyerbruggen.

De twee wereldoorlogen luidden het einde in van Oostende als belle-époquestad. De Duitsers plaatsten afweergeschutbatterijen langs het Fort Napoleon en in de duinen langs het duinenkerkje Onze-Lieve-Vrouw ter Duinenkerk, waarvan de toren half verwoest werd. In de Eerste Wereldoorlog was Oostende een basis voor Duitse duikboten vanuit Brugge. De Britten probeerden Oostende tweemaal te blokkeren met een blokkade, de eerste op 23 april 1918 en de tweede op 9 mei 1918. De promenade werd zo goed als volledig verwoest in 1940-45 door de bommenregen van de Geallieerden op de Atlantikwall, de haven en de spoorwegen.

De opkomst van het massatoerisme en de immobiliënsector waren nog dramatischer dan de Tweede Wereldoorlog voor de afbraak van de belle-époquearchitectuur. Oostende groeide dankzij het eendagstoerisme en de toename van de mobiliteit wel uit tot een bloeiende moderne badstad met meer dan 70.000 inwoners, in het hoogseizoen kan dit aantal tot een veelvoud hiervan oplopen. Veel van deze toeristen wensen een flat met zicht op zee. Het opdoeken van de Regie voor Maritiem Transport (RMT) heeft bovendien voor heel wat armoede gezorgd. Oostende wordt erkend als een kansarme gemeente (SIF+).

Casino Kursaal

Tegen de millenniumwende besloot het stadsbestuur van Oostende om van de elitaire bijnaam “Koningin der badsteden” af te stappen en zich te profileren als “Stad aan zee“. Men wilde daarmee vooral aangeven dat Oostende aan de Belgische kust een van de enige “echte” steden zou zijn. Toeristisch en marketinggewijs was deze titel ook moderner dan de oubollig geworden koninginnennaam, hoewel deze naam een begrip is geworden en nog altijd vaak wordt gebruikt.

De lucht- en spoorhaven hebben de plaats van de zeehaven ingenomen op vlak van internationale verbindingen. In 2004 is de renovatie begonnen van het Kursaal Oostende. Het complex is afgewerkt in 2005. Het kursaal is nu een van de grootste evenementzalen in Oostende. Het biedt plaats aan meer dan 2000 mensen en achter het podium bevindt zich een glazen muur met zicht op zee. Ook op cultureel vlak heeft de stad een aantal troeven. De Paulusfeesten zijn bekende zomerfeesten geworden. Het kleinschalig vriendenfeestje groeide uit tot een volwaardig festival. Ook Theater Aan Zee en Oostende voor Anker zijn trekpleisters geworden.

De stad ligt centraal langs de Belgische kust, op ongeveer 35 km van de Nederlandse grens en 30 km van de Franse grens. Oostende ligt in de duinen– en kuststreek. Ten westen van de havengeul is de kust bijna volledig volgebouwd. Het oostelijk deel paalt aan de zeereepduinen van Bredene tussen Oostende en De Haan die, op het voormalig militair gebied na, onbebouwd zijn. Oorspronkelijk lag Oostende op een eiland (Testerep) voor de Vlaamse kust, en was het het meest oostelijke dorp ervan (vandaar de naam). Aan de andere kant lag Westende en in het midden lag Middelkerke.

Oostende is een centrumstad met een historische stadskern, een 19e-eeuwse gordel en uitlopers langs de kustlijn. Typisch voor zijn uitzicht zijn het kustfront van flatgebouwen, de dichtbebouwde binnenstad en grootschalige infrastructuren zoals de zee- en luchthaven. Oostende is ook een winkelcentrum – met de Kapellestraatals belangrijkste winkelstraat – dat regionaal in trek is.

Het klein strand en het westerstaketsel – panoramisch zicht

Oostende is opgedeeld in 8 wijken: Centrum, VuurtorenZandvoorde, Konterdam/Meiboom, SteneRaversijde

Mariakerke/Nieuwe Koers en Westerkwartier/Vlaams Plein. Enkel Zandvoorde is nog een duidelijk afgescheiden landelijk dorp, Stene en Mariakerke zijn volledig vergroeid met het stadscentrum en zijn tegenwoordig een woonwijk van de stad. Oostende telt drie buurtwerken: Westerkwartier, Vuurtorenwijk en Oud-Hospitaal. In deze stadsdelen proberen buurtwerkers de sociale samenhang te versterken van de meestal achtergestelde groepen. Daarnaast zijn er ook een aantal lokale dienstencentra die zich richten op ouderen en kansarmen.

Naar het aantal inwoners is Oostende in 2005 de 21ste grootste gemeente in België, met ongeveer 70.000 inwoners, een licht stijgend aantal, vooral in het stadscentrum. Oostende is een vergrijsde stad, met gemiddeld één op vier inwoners die ouder dan 65 jaar is. Het aantal geboorten is vooral in de randgemeenten stijgend. Het aantal vreemdelingen in Oostende is vrij laag (3%), en vooral uit de Europese Unie, maar met een enorme verscheidenheid aan nationaliteiten (±100).

In de zomer verviervoudigt het aantal inwoners tot net onder de 300.000. Dat grote aantal is te verklaren door de vele campings en appartementen van toeristen die in de vakantie naar zee komen.

Oostende is een SIF+-gemeente, met een hoog percentage kansarmen. De stad heeft een hoge werkloosheidsgraad, met een hoog percentage langdurig werkzoekenden. Een vierde van de Oostendse werklozen is een jongere (18-25 jaar). Er is een actief beleid op vlak van drugspreventie in het kader van het Veiligheids- en Preventiecontract, met onder andere het Medisch-Sociaal Centrum.

Immo Oostende

Bron: wikipedia